Reservaties bezoek Paradise Kortrijk 2021

Reserveer je bezoek aan de Triënnale Paradise Kortrijk via www.paradisekortrijk.be

Blijf op de hoogte van onze nieuwsbrief.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Waregem Be-Part
van 16 december 2006 - 04 februari 2007

Progress: Tentoonstelling Vierjaarlijkse Prijs Voor Beeldende Kunst 2006 - Provincie West-Vlaandere

16 12 2006 > 04 02 2007

Laureaten en premiewinnaars: Louis De Cordier, Nick Ervinck, Charlotte Lybeer, Wendy Morris, Herman Van Ingelgem, Anne Vanoutryve.

De editie 2006 is de eerste Prijs Beeldende Kunst waarvan de tentoonstelling plaatsvindt in BE-PART in Waregem. BE-PART is het platform voor actuele beeldende kunst van de Provincie West-Vlaanderen, waar creatie, artistiek onderzoek, ontmoeting en tentoonstelling de sleutelwoorden zijn. Dit centrum werd in oktober 2004 officieel geopend. Het platform heeft intussen een stevige reputatie opgebouwd, vooral dan op het vlak van creaties in situ.

De keuze voor BE-PART als locatie bleek bepalend te zijn voor de inhoud van de tentoonstelling ‘Progress’. Waar in vorige edities bestaand werk van de bekroonden werd gepresenteerd, voelden de laureaten en de premiewinnaars van de editie 2006 zich gestimuleerd om nieuw werk in situ te creëren. Dit maakt van deze editie een bijzondere editie, waarbij de kunstenaars in dialoog treden met de inspirerende ruimtes van BE-PART.

Alle werken zijn tentoongesteld in BE-PART, met uitzondering van het werk ‘Dolls, 2006’ van Charlotte Lybeer dat zich onder de esplanade van Het Pand Waregem (bij piramide Ciné Star) bevindt.

Uit de tekst ‘PROGRESS? MMMHH…BACKFIRE!’ van jurylid Johan Pas (catalogus):
(…) De fotoreeksen van Charlotte Lybeer (°1981) zweven ergens tussen registratie en enscenering, tussen realisme en surrealisme. Haar reportage-achtige benadering en zakelijke beeldvorming (die zich onder meer vertaalt in thematische reeksen) contrasteert sterk met de artificiële en geënsceneerde sfeer van de getoonde personages, landschappen en stillevens. Zelf spreekt ze onder meer van ‘capsulaire aspecten in onze maatschappij’: gated communities, shopping malls, themaparken en luchthavens. Dit soort tot in de puntjes geconstrueerde omgevingen spreekt de huidige generatie foto- en filmmakers sterk aan, wellicht omdat ze een uitvergroting vormen van de maatschappij waarin ze voorkomen en waarin wij functioneren. In haar portretten toont Lybeer onder meer hoe mensen zichzelf tonen: ze representeert de zelfrepresentatie.

In vergelijking daarmee ogen de schilderijen van Anne Vanoutryve (°1977) ronduit archaïsch. Haar traditionele techniek, schilderen op doek met zelfgemaakte olieverf, en genrethematiek, de landschapsbeleving, roepen associaties op met bepaalde aspecten van de barok en van de romantiek. Het is schilderkunst in een schemerzone tussen heden en verleden, tussen archaïsme en actualiteit. Het schilderij is bovendien de plaats waar natuur en cultuur elkaar even lijken te raken. Vanoutryve beschrijft het ontstaansproces van de landschappen immers als een "gelaagd schilderen, toevoegen, wegschrapen, overschilderen alsof het ene het andere overwoekert en het zichtbare slechts opperhuid is waaronder een organisch gebeuren de kenmerken van kleuren en vormen van wat leeft dicteert".

Ook de films van Wendy Morris (°1960) hebben een manueel en ambachtelijk karakter. Via stop-frame animatie en 16mm film worden haar houtskooltekeningen getransformeerd tot bewegende beelden. Daarin duikt een wereld aan referenties op, zoals het expressionisme en het surrealisme en hun hang naar ‘het’ primitieve. Voor Morris vormen zowel de tekeningen als de film het uiteindelijke werk. Daardoor, en door de weggegomde delen deels zichtbaar te laten als schaduwen, wordt het productieproces van de film gedeconstrueerd. Maar ook haar thematiek heeft een deconstruerend aspect. In ‘Taste the World’ verkent Morris naar eigen zeggen ‘het toeristische begrip van de ‘Derde Wereld’ als een ontspanningsruimte voor Europa’. In die zin vormt haar film een kritische spiegel voor de Westerse kunstliefhebber. (…)

(…) Herman Van Ingelgem (°1968) realiseert multimediale, site-specifieke installaties en environments. Schaalmodellen, constructies in hout en gipsplaat, neonlampen, tekeningen en videobeelden worden aangewend om fragmenten van ruimtelijkheid met elkaar te verbinden. Door de verschillende representatietechnieken wordt de kijker aangezet zelf een (imaginaire) ruimte te reconstrueren. Daarbij duiken referenties op aan anonieme hotelkamers, uitgepuurde tentoonstellingsruimtes of hoogmodernistische woningbouw. Door deze constructies te combineren met sporen van erosie of beschadiging, kantelen de beelden in ruïnes van het moderne.

Ook bij Louis De Cordier (°1978) speelt het modernisme een belangrijke rol. Maar bij hem is er minder sprake van melancholie. Hij verkent de cross-overs tussen kunst, wetenschap en architectuur. Deze utopische onderzoeksattitude onderschrijft het belang van het proces. De Cordiers manier van werken is dan ook projectmatig en vertaalt zich ondermeer in samenwerkingen met kunstenaarnatuurwetenschapper Angelo Vermeulen. Thema’s als de relaties tussen mens, natuur en technologie en een uitgesproken utopische component roepen associaties op met ecologische architectuur uit de jaren zestig, zoals het experimenteren met leefmodules, biotopen en met het kunstwerk als potentiële sociale en ecologische interactie. Daarbij worden zelfs stralings- en geluidsgolven ingeschakeld.

In vergelijking daarmee lijkt het werk van Nick Ervinck (°1981) eerder aan te sluiten bij een klassieke notie van sculptuur. Als een hedendaagse Bernini weet hij echter inspiraties uit incompatibele referentiekaders tot een plastische synthese te brengen. Zijn sculpturen situeren zich tussen fysieke objecten en virtuele werelden. Ze combineren high en low tech, referenties aan klassieke sculptuur, maar ook aan futurisme, scifi en spitstechnologie. Ze zijn deels gebouw, deels landschap, deels meubel, deels organisme. Volledig computer gegenereerd, lijken ze dan ook te ontsnappen aan elke esthetische inlijving en omvatten ze zowel geometrie als organisme, fluïditeit als massiviteit. Ervincks sculpturen demonstreren het kunstwerk als Fremdkörper, als visuele hybride. Alsof modernistische orde en wereldcatastrofe stollen tot een fatale synthese. (…)